| Foto's Das Rheingold | Foto's Die Walküre | Foto's Siegfried | Foto's Götterdämmerung |

 Home

Richard Wagner - das Rheingold
8 September 1997, Muziektheater Amsterdam 

 

 

Hier is lang naar uitgekeken, eindelijk een Nederlandse produktie van Wagner's Ring in ons eigen Muziektheater. Vanavond gaan we naar de 'Vorabend' van dit gigantische vier-luik: 'Das Rheingold'. 

Bij de balie kopen we meteen het programmaboek, waarin het libretto met een nederlandse vertaling en ook een boekwerkje met achtergrondverhalen van de hele Ring, beiden zeer fraai vorm gegeven. Om 20.00 uur mogen we de zaal in, er is geen gordijn en we kunnen direkt het eerste toneel bekijken. We zien twee enorme gekantelde platvormen, een glazen box met daarin goudkleurige kerstballen, een ketting die van het plafond neerhangt tot op de podiumvloer en hoog boven het podium twee grote geulen waar publiek zit, de zogenaamde 'adventure-seats'. Onder een van de platvormen liggen verspreid gouden voorwerpen. Tevens loopt er voor de orkestbak langs, een catwalk door de zaal. Daar zijn de eerste rijen zitplaatsen aan opgeofferd. 

Eerste Toneel

Het wordt donker en ademloos wachten we op de oerklank waaruit de wereld zal ontstaan. Uit de orkestbak laat Haenchen een soepel, slank, doorzichtig en gedetailleerd geluid komen. Op spaarzame momenten wordt de volumeknop open gedraaid, bij het gehamer op de aambeelden en bij het 'Heda, Heda, Hedo' van Donner. Persoonlijk hou ik van een steviger aanpak, zeker waar het de instrumentale stukken betreft. Haenchen's aanpak heeft echter het voordeel van een enorme doorzichtigheid en gedetailleerdheid, ik hoor details die mij eerder bij cd-opnamen niet waren opgevallen.

Op het podium zien we in het donker het goud opgloeien, de zaalverlichting, bestaande uit kleine lichtpuntjes mag ook meedoen. Dan breekt de eerste lichtstraal door; en er zij licht... De rijndochters zijn gekleed in strakke rode pakjes wat niet bepaald flatterend overkomt, en proberen zich staande te houden op een van de hellende vlakken, dit vlak is doorzichtig en wordt van achteraf belicht, wat een mooi effect geeft. Ze lopen omhoog en glijden omlaag, terwijl een onbehaarde Alberich vergeefs achter ze aanzit. De schedel van Alberich ziet eruit als een waterhoofd waar iemand (Donner waarschijnlijk) een klap met een moker op heeft gegeven. Dan wordt de glazen box met gouden kerstballen in het zonnetje gezet en niet gespeend van opportunisme vraagt Alberich zich vertwijfeld af of hier voordeel uit te halen valt. Ja, zeggen de meiden, diegene die van dit goud een ring smeed wint de wereld, maar alleen als je de liefde afzweert. No problem, denkt Alberich, heb ik de liefde niet dan toch zeker de lust, en hij vervloekt de liefde. De glazen box blijkt op wieltjes te staan en doodgemoedereerd wandelt hij met zijn winkelwagentje het podium af. De cassieres doen nog wat halfslachtige pogingen de dief aan te houden, maar helaas, jammerend blijven ze in het donker achter.

Tweede Toneel

We gaan nu een kijkje nemen bij de goden. Als we zijn aangeland op de wolkige hoogten, via het kantelen van de twee platvormen, zijn Wotan en Fricka in geen velden of wegen te bekennen. Ze slapen natuurlijk nog, plotseling komt Wotan slaapdronken op, samen met Fricka die Wotan direct tot de orde begint te roepen. Wotan draagt een rode koningsmantel, Fricka een groene, twee regenboogtinten zijn er dus al. Uit het plafond komt een enorme reuzenspeer naar beneden die met zijn punt vlak boven de grond blijft hangen. Het is meteen duidelijk dat deze speer een maatje te groot is voor onze op machtbeluste oppergod (leven naar zijn eigen verdragen is voor hem te hoog gegrepen). Als Wotan eindelijk bij z'n positieven is wordt hij geconfronteerd met de gevolgen van zijn sjacherpraktijken. In ruil voor Freia hebben Fasolt en Fafner in het zweet huns aanschijns, de godenburcht gebouwd, terwijl Wotan zijn erotische machtsdromen droomde. Wotan zingt mooi en duidelijk, we missen enige authoriteit. We denken dat hij in de Walküre zal schitteren. Fricka doet haar taak, maar zegt ons verder niet zoveel. Op een projectiescherm worden filmbeelden vertoond, afwisselend van kettingen/ketenen (representaties van Wotan's gevoelens) en opnames van de handeling die op dat moment gaande is. De reuzen die opkomen lijken op twee wandelende rotsblokken. Afhankelijk van Freia's opkomst, zijn er een aantal lichtbollen die een warm goudkleurig licht verspreiden (Goldne Äpfel). Eindelijk komt Loge/Lüge om Wotan uit? de brand te helpen, hij is gekleed in een zwart gewaad, want geen kleur van de regenboog en hij speelt heel toepasselijk met een zwarte blinddoek. Tenslotte treedt hij Walhalla niet binnen, maar zal het veel later in de as leggen. Loge zingt en acteert uitstekend, hij is de vlees-geworden intrigant, die de reuzen verlekkert met het Rijngoud. Daar ziet Fafner wel brood in, en samen met Fasolt neemt hij de 'eeuwige jeugd' mee als onderpand. De goudkleurige bollen doven uit samen met het levenslicht van de goden. Donner's hamer lijkt van metaal en heeft een meterslange steel. De hamer buigt van boven langzaam neder tot bijna aan de vloer. Plotseling neemt de onzalige Wotan een resoluut besluit, hij gaat samen met zijn raadgever naar Nibelheim om het Rijngoud te stelen. Loge stelt fijngevoelig voor om via de Rijn te gaan, waarop de verwachtte ontkenning van Wotan volgt. Ze nemen de weg via de zwavelschacht.

Derde Toneel

Tot onze opluchting wordt het vanaf hier ineens allemaal een stuk spannender. Na het oorverdovende gehamer van de dwergen, komen Wotan en Loge via een brandtrap van boven naar beneden geklommen. De scène is een verrukking, Nibelheim zoals Nibelheim hoort te zijn. Er zijn verschillende mijnwagentjes waarin forse branden zijn, zo nu en dan zijn er gas-explosies en lopende vuurballen. Dit alles overgoten in een gouden gloed. De Nibelungen zijn verkleinde uitgaven van Alberich, met allemaal zo'n raar hoofd, geen wonder dat Donner zo moe is. Alberich groeit in zijn rol, hij zingt en acteert steeds beter. Als eerste zien we natuurlijk Mime, hij is heel toepasselijk uitgedost met een staart als een kakkerlak. Mime zingt en acteert voortreffelijk, samen met Loge en Alberich de besten van de avond. 1-0 voor de Nibelungen. De Tarnhelm is een soort chinese tovenaars-puntmuts van goud. De verdwijning van Alberich is weinig spectaculair, hij kruipt gewoon weg. Zijn gedaantewisselingen zijn lachwekkend, wat absoluut niet de bedoeling van Wagner is. De reuzenslang is een groot pluisbeest met een aantal lange nagels. Tot overmaat van ramp is de timing niet goed en verdwijnt het ondier niet op tijd, zodat Alberich tegelijkertijd met pluis op het podium staat. De kikker blijkt vast te zitten aan de hand van Hartmut Haenchen, die hem even op de catwalk laat huppen, alvorens Wotan hem pakt. Wotan grijpt Alberich in de kraag, die zich onder de catwalk had verstopt. De terugreis neemt een aanvang.

Vierde Toneel

Terug in het gebied van Wotan, dient Alberich zich vrij te kopen met zijn goudschat. De Nibelungen komen aansjouwen met grote blokken goud en zetten ze her en der neer. De Tarnhelm hoort volgens Loge ook bij de schat, waarna Loge aan Wotan vraagt of Alberich zich al vrijgekocht heeft, meneer is zogenaamd de ring vergeten. Wotan eist de ring en pakt hem van Alberich af, die verslagen op zijn rug ligt. Hierna loopt Alberich de catwalk in de zaal op en legt zijn vloek op de ring, waarna hij via een trap onder het toneel verdwijnt. Tot ziens in Siegfried. Alberich had aanvankelijk een matig begin, maar groeide enorm in zijn rol, zowel qua acteren als zingen. De appels van Freia gloeien langzaam op, als teken dat Freia in aantocht is. Na de begroeting met de goden Donner, Froh en Fricka, komen de reuzen met Freia om het losgeld op te eisen. Iedereen, ook Fasolt en Fafner helpen een gouden muur om Freia heen te bouwen, nadat Loge ook de oosterse tovermuts op de hoop heeft gegooid willen de reuzen in ruil voor Freia's oog de ring. Moeder Aarde moet eraan te pas komen om het einde van de goden nog wat te rekken, en Wotan buigt zijn wil. Erda wordt ten tonele gevoerd als een mystieke tijdloze vrouw in een wit gewaad met spierwit haar, als een soort tegenhangster van de zwarte Loge. Zij geeft ook raad aan Wotan, om afstand te doen van de ring. Tijdens Erda's monoloog liggen de reuzen als dood op het podium. Ruzieënd vallen de reuzen op de schat aan, Fasolt moet het opvolgen van Loge's goede raad, om de ring te pakken bekopen met de dood (Loge's raad leidt wel vaker tot niet gewenste uitkomsten). Fafner pakt Wotan's reuzenspeer die uit het plafond naar beneden steekt en duwt de punt in Fasolt's rug, Fasolt is het eerste slachtoffer van Alberich's vloek. Fafner gaat af met de schat achter zich aan slepend. Het grote moment van Donner is aangebroken, met spanning wachten we op zijn Heda, Heda, Hedo. Hij doet dit voortreffelijk, mooi krachtig gezongen. De special effects zijn ook erg mooi, een oorverdovende knal, bliksems en regengeluid maken het spektakel compleet. Een mooi moment. Tijd om Walhall binnen te treden. Na zijn grote gedachte maakt Wotan zich op om toch nog welgemoed de burcht te betreden. Tot onze verbazing keert behalve Loge ook Freia zich van de goden af, mooi gevonden van de regie, verplaats je maar in Freia's plaats. Wotan kan de appels echter niet missen en sleept Freia mee. De goden in hun regenboog-capes betreden een soort steiger die naar een voor ons onzichtbaar Walhalla voert. Onderwijl zien we Fafner een vreugde-dans maken om zijn nieuw verworven schat.


| Foto's Das Rheingold | Foto's Die Walküre | Foto's Siegfried | Foto's Götterdämmerung |

Naar Boven